Nieuw op de voorschool: hbo’ers

Of er hbo’ers worden in gezet op de voorschool, is geen vraag meer sinds de minister van Onderwijs het budget heeft verhoogd met 36 procent. Maar wel: hoe gaat dat eruit zien, een hbo’er op de voorschool? In welk opzicht zal de voorschoolse educatie daardoor veranderen? Onderzoeksbureau Sardes deed er onderzoek naar, in opdracht van het ministerie van OCW. Op Voorschool.net de opvallendste punten uit dit onderzoek.

De aanleiding

Aanleiding voor het onderzoek zijn afspraken die gemaakt zijn op 12 maart tussen ministerie van Onderwijs en 37 gemeenten over het verbeteren van het voorschools onderwijs. Het idee van de overheid is dat het inzetten van HBO’ers daar aan kan bijdragen:

  • “Hbo-gekwalificeerde begeleiders in VVE zijn nodig om het opbrengstgericht werken op de groep verder vorm te geven en de kwaliteit op de werkvloer te verhogen”. En:
  • “Voor een betere kwaliteit van VVE (Voor- en Vroegschoolse Educatie) is continue coaching op de werkvloer en uitwisseling tussen leidsters en leerkrachten nodig”.

Internationaal

In Europa zijn er hoofdzakelijk twee kinderopvangsystemen:

  1. een geïntegreerd in onderwijssysteem(Spanje, Engeland, Zweden) of in een breder sociaal-agogisch systeem (Finland, Denemarken) of
  2. een gesplitst systeem (Nederland)

Het eerste systeem is professioneler qua opzet en “in deze landen is het gebruikelijk dat op hbo-niveau opgeleide pedagogen op de groepen samenwerken met lager opgeleide assistenten”. Het tweede systeem kenmerkt zich door opvang van de kinderen door laaggeschoolde of ongeschoolde medewerkers.

De onderzoekers zeggen verder over de internationale situatie: “Het is in het buitenland vrij gewoon dat er in de praktijk onderscheid wordt gemaakt tussen core practitioners (hbo’ers) en assistents (mbo’ers), met gedeelde maar ook eigen verantwoordelijkheden.”

De onderzoekers halen een CoRe-rapport: aan, waaruit zou blijken dat “hoge kwalificatie-eisen hand in hand gaan met goede werkomstandigheden: “Relevante organisatorische randvoorwaarden zijn de leidster-kind-ratio, de groepsgrootte en de continuïteit van het personeelsbestand. Minder kinderen per professional, kleinere groepen en een stabiel personeelsbestand dragen bij aan een aantrekkelijke werkomgeving voor ECEC-personeel (ECEC: early childhood education and care).”

De praktijk

Uit de vier beschrijvingen van ervaringen met hbo’ers op de voorschool trekken de onderzoekers de conclusie, dat er grofweg twee manieren zijn om een hbo’er in te zetten, twee varianten. “Een leerpunt uit de ervaringen met de inzet van hbo’ers tot nu toe is dat als er geen duidelijkheid bestaat over de taken, verantwoordelijkheden en organisatorische inbedding van de inzet van de hbo’er, het nauwelijks mogelijk is om tot kwaliteitsverbetering te komen.”

De hbo’er als coach

“In deze variant ondersteunt de hbo’er in een coachende rol de pedagogisch medewerkers van meerdere groepen en locaties op de aspecten die van belang worden geacht voor het verbeteren of hooghouden van de kwaliteit van de voorschool, zoals opbrengstgericht werken, een rijke taalinteractie, toetsen en ouderbetrokkenheid.”

De hbo’er op de groep

Tot de taken en verantwoordelijkheden horen o.a. “het verbeteren of hooghouden van de kwaliteit van de voorschool, zoals opbrengstgericht werken, het creëren van een rijke taalinteractie, het hanteren van een kind-volg-systeem, de borging van het VVE-programma, het creëren van een doorgaande lijn, en professionalisering op de groep en binnen de locatie”.

De onderzoekers stellen verder: “De hbo-kracht heeft daarbij een leidende rol als het gaat om het versterken van de ‘educatieve functie’ (spelend leren, ontwikkelingsstimulering, taalbevordering, spelverrijking e.d.) en bij het invoeren van vernieuwingen. Op deze aspecten heeft zij ook een voorbeeldfunctie naar collega’s; zo kan zij bijvoorbeeld laten zien hoe eetmomenten en verschoonmomenten kunnen worden aangegrepen voor taalverrijking. De mbo-kracht zal in veel gevallen meer ervaring hebben met het werken met peuters, en kan de hbo’er daarin begeleiden. ”

Toegevoegde waarde

De toegevoegde waarde van hbo’ers voor de voorschoolse sector bestaat volgens de onderzoekers uit drie elementen:

  • reflectie op het VVE-aanbod en eigen pedagogisch handelen (o.a. met behulp van het peutervolgsysteem)
  • coaching van andere medewerkers door o.a. video-interactiebegeleiding en speciale vraagtechnieken en
  • bijdrage aan het profiel, beleid en scholingsplan van de instelling.

Randvoorwaarden bij de inzet van hbo’ers

“Erkenning van de hbo’er in haar rol als kwaliteitsbewaker en -verbeteraar betekent ook dat de instelling de tijd en middelen beschikbaar stelt die daarvoor nodig zijn. Naast de uren die de hbo’er wordt ingezet op de groep(en), betekent dit dat er ook tijd moet worden ingeruimd voor feedback aan en coaching van collega’s, voor kennisoverdracht aan collega’s (bijvoorbeeld in overleggen), voor het maken van groepsplannen, enzovoort. Voor alle duidelijkheid, hierbij gaat het dus niet alleen om (extra) werkuren voor de hbo’er, maar ook om de tijd die voor de naaste collega’s en het team beschikbaar is om feedback te ontvangen en een rol te spelen in veranderprocessen.”

Koppelingen

Hbo’ers in de voorschool – Een eerste verkenning en Handreiking hbo’ers in de voorschoolse sector 

(Handreikingen op basis van onderzoeksrapport Sardes)

“Puur op basis van de beschreven functies en taken is het dus vooralsnog onmogelijk om te bepalen of de twee varianten, en eventuele tussenvarianten, ‘hbo-volwaardige’ posities betreffen. De meeste taken kunnen immers ook door een professional met een mbo 4-achtergrond worden uitgevoerd. Uit de praktijken klinkt dat hbo’ers met name meerwaarde weten te creëren in hun rol als observator, als voortrekker en als aanjager van verbeteringen. Dit brengt ons op het model van roldifferentiatie – in tegenstelling tot de meer statische modellen van functiedifferentiatie en taakdifferentiatie – als een meer dynamisch model, waarbij het teamwerk als uitgangspunt wordt genomen. Toegepast op de voorscholen zou dit betekenen dat het team bekijkt wat er nodig is en wie dat het beste kan doen, gegeven de competenties van een ieder. Daarbij zou een belangrijke rol van de hbo’er zijn dat deze werk creëert waar zij zelf kansen ziet voor verbetering.”

Effect voorschool is bewezen 

(ingezonden brief Trouw Karin Westerbeek, onderzoeker Sardes)

Als er iéts is waarover stevig gefundeerd wetenschappelijk onderzoek duidelijkheid verschaft dan is het wel de positieve effecten van de voorschool.

Elke euro die wordt geïnvesteerd in kwalitatief goede voorschoolse opvang, wordt dubbel en dwars terugverdiend. Cruciaal is dat ‘kwalitatief goede’. Daar staat of valt het effect namelijk mee.

‘Peuterleidsters moeten minstens hbo hebben’ 

(column Aleid Truijens, Volkskrant)

Tussen het opleidingsniveau van leerkrachten en onderwijssucces bestaat wel een spijkerhard verband. De landen die het hoogst scoren in internationale onderwijsonderzoeken – Finland en de Scandinavische landen – hebben steevast universitair opgeleide leerkrachten, die zware, selectieve lerarenopleidingen hebben doorlopen.

Voorschool heplt niet altijd

(artikel Trouw)

De kwaliteit van de leidsters op de voorschool is inderdaad van cruciaal belang. Nu moeten die leidsters minimaal een mbo-opleiding op niveau 3 achter de rug hebben. “Dat is te laag. Waarom zouden zij met zoveel minder opleiding toe kunnen dan de juffen en meesters in groep 1 en 2 van de basisschool?